Ons onderzoek naar ouderlijke burn-out krijgt internationale duiding
19 januari 2026
Wat betekent goede zorg, als ouders structureel onder grote druk staan?
In het recente onderzoek van Nathalie Patty, Karen van Meeteren, Minke Verdonk, Marjolijn Ketelaar, Carlo Schuengel, Agnes Willemen, naar burn-out bij ouders van kinderen met complexe zorgbehoeften stond één perspectief centraal: dat van ouders zelf. Hun verhalen laten zien dat overbelasting niet alleen te maken heeft met de zorg voor hun kind, maar met een bredere werkelijkheid van verantwoordelijkheid, verwachtingen, zorgstructuren en het gevoel voortdurend te moeten volhouden.
Bij dit onderzoek is onlangs een invited commentary verschenen van Peter Rosenbaum, een internationaal gerenommeerd onderzoeker op het gebied van childhood disability en family-centred care. In zo’n commentary reflecteert een ervaren vakgenoot op de betekenis van een studie voor praktijk, beleid en toekomstig onderzoek.
Burn-out ontstaat niet op één plek
In zijn reflectie benadrukt Rosenbaum dat ouderlijke burn-out niet begrepen kan worden als een individueel probleem. Hij beschrijft, in lijn met de bevindingen van het onderzoek, hoe burn-out ontstaat in een samenspel van factoren:
- aspecten die samenhangen met de ouder zelf, zoals emotionele belasting en fysieke gezondheid;
- factoren in de omgeving, waaronder de organisatie van zorg, sociale steun en sociaaleconomische omstandigheden;
- het cumulatieve effect van langdurige zorgverantwoordelijkheid en het gevoel geen ruimte te hebben om te stoppen.
Juist die optelsom maakt de belasting voor veel ouders zo groot.
Een bredere kijk op gezondheid en zorg
Rosenbaum plaatst de bevindingen in het licht van het International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF)-kader van de World Health Organization. Dit internationale denkkader kijkt niet alleen naar ziekte of diagnose, maar naar hoe mensen functioneren in het dagelijks leven, in samenhang met hun persoonlijke en sociale context.
Hoewel het oorspronkelijke onderzoek het ICF-kader niet expliciet gebruikte, laat Rosenbaum zien dat de resultaten hier goed bij aansluiten. Hij beschrijft het ICF als een manier om niet alleen te kijken naar wat er ‘mis’ is, maar juist ook naar alles wat meespeelt in het leven van gezinnen en invloed heeft op hun welzijn.
Wat vraagt dit van professionals en organisaties? Een belangrijk punt in de commentary is de vraag wat family-centred care in de praktijk werkelijk betekent. Rosenbaum nodigt professionals en organisaties uit om niet alleen te kijken naar hun expertise en interventies, maar ook naar de context waarin zorg wordt geleverd.
Factoren zoals wachttijden, toegankelijkheid van diensten en organisatorische keuzes kunnen onbedoeld bijdragen aan extra stress voor ouders. Door ouders expliciet als onderdeel van het zorgproces te zien, ontstaat ruimte om:
- signalen van overbelasting eerder te herkennen;
- passende ondersteuning te organiseren, ook buiten het eigen vakgebied;
- kritisch te kijken naar structuren die druk kunnen versterken.
Daarnaast introduceert Rosenbaum het zogeheten 4P-model (predisponerende, uitlokkende, instandhoudende en beschermende factoren) als hulpmiddel om complexe situaties, zoals ouderlijke burn-out, beter te begrijpen en bespreekbaar te maken.
Een uitnodiging tot verder gesprek
De commentary voegt een belangrijke laag van duiding toe. Ze laat zien dat ouderlijk welzijn geen randvoorwaarde is, maar een essentieel onderdeel van goede zorg voor kinderen met complexe zorgbehoeften.
Tegelijkertijd wijst Rosenbaum op kansen voor vervolgonderzoek, met name door te leren van gezinnen die ondanks langdurige druk overeind blijven. Wat helpt hen? En wat kunnen we daarvan leren voor andere gezinnen?
Met deze internationale reflectie wordt het onderzoek nadrukkelijk onderdeel van een breder gesprek over zorg, context en menselijkheid. Een gesprek dat raakt aan praktijk, beleid en de dagelijkse realiteit van gezinnen.